ECLI:NL:CBB:2021:50
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht onder Meststoffenwet wegens ontbreken individuele en buitensporige last
Appellante exploiteert een melkveehouderij en had plannen om haar bedrijf uit te breiden van 140 naar 470 melk- en kalfkoeien en van 65 naar 241 stuks jongvee. Hoewel zij in 2011 en 2012 vergunningen aanvroeg en een financieringsovereenkomst sloot, begon zij pas in 2013 met de bouw van een nieuwe stal. De minister stelde het fosfaatrecht vast op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015, waarna appellante bezwaar maakte dat werd afgewezen.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel onvoldoende grondslag zou hebben in de Nitraatrichtlijn en dat sprake was van ongeoorloofde staatssteun. Tevens stelde zij dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor haar vormde, mede vanwege haar investeringen in een milieuvriendelijke proefstal. Verweerder betoogde dat het stelsel een noodzakelijke maatregel is en dat de investeringsbeslissingen ondernemersrisico's zijn.
Het College oordeelde dat het beroep ongegrond is. Het stelde dat het fosfaatrechtenstelsel een noodzakelijke maatregel is en dat de investeringen van appellante, gedaan na het bekend worden van productiebeperkende maatregelen, ondernemersbeslissingen zijn waarvan de risico's voor haar blijven. De uitbreiding was niet aantoonbaar economisch noodzakelijk en appellante had rekening moeten houden met de aangekondigde maatregelen. De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan die van appellante.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het vastgestelde fosfaatrecht blijft gehandhaafd.