ECLI:NL:CBB:2021:556
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en individuele last onder Meststoffenwet
Appellant exploiteert een melkveebedrijf en betwist de vaststelling van zijn fosfaatrechten door de minister op grond van de Meststoffenwet. Hij stelt dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van zijn eigendom aantast en dat hem een individuele en buitensporige last wordt opgelegd. Tevens verzoekt hij om compensatie voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het College overweegt dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat het rapport van de Algemene Rekenkamer geen aanleiding geeft tot een ander oordeel. De investeringen van appellant zijn niet navolgbaar gelet op het tijdstip en de afschaffing van het melkquotum, waardoor hij de risico’s van zijn uitbreidingsbeslissingen zelf draagt. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Wel wordt appellant een schadevergoeding van €1.500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, die ruim 1 jaar en 3 maanden te lang heeft geduurd. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van €267,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.