Appellante, een maatschap, kreeg op 3 januari 2018 een besluit van de minister van LNV over haar fosfaatrechten. Na bezwaar en een bestreden besluit dat deels werd ingetrokken, stelde appellante beroep in tegen het bestreden besluit. De minister nam vervolgens een vervangingsbesluit dat tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante.
Het College verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk omdat het belang daarvoor was komen te vervallen. Het beroep tegen het vervangingsbesluit werd ongegrond verklaard. Het College oordeelde dat de minister de knelgevallenregeling correct had toegepast en dat het vervangingsbesluit de inhoudelijke bezwaren oploste.
Verder werd vastgesteld dat de behandeling van bezwaar en beroep de redelijke termijn had overschreden met circa 11 maanden. Daarom werd de minister veroordeeld tot een vergoeding van € 1.000,- aan appellante wegens immateriële schade, alsmede tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten werd op grond van de Awb en jurisprudentie van het EVRM toegewezen.