ECLI:NL:CBB:2021:586
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens illegaal taxivervoer op Amsterdamse opstapmarkt
Appellant biedt taxivervoer aan op de Amsterdamse opstapmarkt zonder over een geldige Taxxxivergunning te beschikken, hetgeen verboden is volgens artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012. Na eerdere overtredingen en een last onder dwangsom opgelegd te hebben gekregen, is een dwangsom van €5.550 ingevorderd wegens een overtreding op 9 oktober 2019.
Appellant betwist de invordering en voert onder meer aan dat de last onder dwangsom is verjaard en dat hij niet daadwerkelijk taxivervoer heeft aangeboden, maar slechts geparkeerd stond om te bellen. Het College oordeelt dat de last onder dwangsom niet is verjaard en dat het feit dat appellant met een als taxi herkenbare auto op een illegale opstapplaats stond zonder een rit uit te voeren, voldoende bewijs is voor het aanbieden van taxivervoer.
Het College benadrukt dat de financiële draagkracht van appellant in beginsel niet in de invorderingsfase wordt meegewogen en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan betalen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom van €5.550 bevestigd.