ECLI:NL:CBB:2021:590
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom voor aanbieden taxivervoer zonder vergunning op Amsterdamse opstapmarkt
Appellant, werkzaam als taxichauffeur in Amsterdam zonder geldige Taxxxivergunning, werd op 6 oktober 2019 betrapt op het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt. Verweerder legde hem een last onder dwangsom op en vorderde een bedrag van € 5.550,- wegens overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012.
Appellant voerde in beroep aan dat hij destijds in loondienst was en alleen vervoer op afspraak aanbood, niet op de opstapmarkt, en dat hij geen taxidiensten had aangeboden. Hij betwistte ook de verklaring van de toezichthouder over het Engelse taalgebruik. Tevens stelde hij financiële problemen en gewijzigde persoonlijke omstandigheden aan de orde om kwijtschelding of matiging van de dwangsom te bepleiten.
Het College oordeelde dat het rapport van bevindingen van de toezichthouder, die het taxivoertuig zonder vergunning op een als illegale opstapplaats bekendstaande locatie zag stilstaan en taxivervoer aanbood, betrouwbaar is. De stelling van appellant dat hij enkel contact zocht met een vermeende klant werd onvoldoende onderbouwd. Het College bevestigde dat het aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt zonder vergunning verboden is en dat appellant dit heeft gedaan.
Ten aanzien van de financiële situatie van appellant overwoog het College dat het bestuursorgaan in beginsel geen rekening hoeft te houden met draagkracht bij invordering van een dwangsom, tenzij evident is dat betaling onmogelijk is. Appellant had dit niet aannemelijk gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom bevestigd.