Appellante, een MKB-onderneming, had een subsidie toegekend gekregen op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) gebaseerd op de omzet in de referentieperiode april tot en met september 2019. Appellante verzocht om een afwijkende referentieperiode vanwege bijzondere omstandigheden in 2019, waaronder een ongeluk en een hartoperatie van betrokkenen, waardoor de omzet in dat jaar lager was dan normaal.
Verweerder wees dit verzoek af, stellende dat de TVL-regeling geen ruimte biedt voor afwijking van de referentieperiode, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen. Het College overwoog dat hoewel appellante bijzondere omstandigheden had, het omzetverlies niet zodanig was dat sprake was van een onevenredig nadeel. De omzet in de referentieperiode was ongeveer 20% lager dan in 2018, wat volgens het College onvoldoende was voor een uitzondering.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het College benadrukte dat het doel van de TVL is om snel en efficiënt steun te bieden, en dat het niet onredelijk is dat alleen in zeer bijzondere gevallen wordt afgeweken van de vaste referentieperiode. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.