ECLI:NL:CBB:2021:599
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrecht en knelgevallenregeling bij paratuberculose op melkveebedrijf
Appellante exploiteert een melkveehouderij waar in 2014 paratuberculose werd vastgesteld, met als gevolg dat 37 koeien werden geruimd. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015, met een generieke korting en wees het bezwaar van appellante af omdat niet werd voldaan aan de 5%-drempel van de knelgevallenregeling.
Appellante voerde aan dat de knelgevallenregeling onjuist werd toegepast en dat de melkproductie pas in 2017 weer op peil was, wat zij trachtte te onderbouwen met gezondheidsverklaringen en bedrijfsgegevens. Verweerder stelde dat de melkproductie van 2015 representatief was en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de paratuberculose eerder was verdwenen.
Het College oordeelde dat de knelgevallenregeling terugkijkt naar het verleden en dat appellante niet had aangetoond vanaf welke datum de ziekte afwezig was. De melkproductie van 2015 was voldoende representatief, en het beroep op de knelgevallenregeling faalde. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellante daardoor niet benadeeld werd.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit over het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.