ECLI:NL:CBB:2021:603
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling subsidiabele oppervlakte percelen en toepassing 2%-marge GLB-betalingen
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de vaststelling van de oppervlakte van meerdere percelen in het kader van de basis- en vergroeningsbetaling 2019 onder het GLB. De kern van het geschil betreft de juiste vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van percelen 1, 4, 7, 48, 50, 68, 78 en 79 en de toepassing van een 2%-marge bij afwijkingen.
Verweerder heeft de oppervlakte van enkele percelen kleiner vastgesteld dan door appellant opgegeven, waarbij de 2%-marge is toegepast. Appellant voerde aan dat deze marge niet alleen negatief mag worden toegepast en dat er sprake is van duidelijke veranderingen in het veld door wisselende waterpeilen. Het College oordeelt dat de 2%-marge terecht is toegepast omdat geen feitelijke onderbouwing is geleverd voor duidelijke veranderingen in de subsidiabele oppervlakte.
Voor perceel 4 is een deel afgekeurd wegens verruiging, wat door het College is bevestigd op basis van luchtfoto’s en Cyclomediabeelden. Voor perceel 79 is een gedeelte afgekeurd omdat dit langer dan 90 dagen onder water staat en daardoor niet als subsidiabel landbouwareaal kan worden aangemerkt. Het beroep op het ANLb-contract en het ontbreken van noemenswaardige hinder voor landbouwactiviteiten faalt.
Het College concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte en toepassing van de 2%-marge wordt ongegrond verklaard.