ECLI:NL:CBB:2021:627
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en individuele last onder Meststoffenwet
Appellante, exploitant van een melkveebedrijf, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw tot vaststelling van haar fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Zij voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM omdat het een individuele en buitensporige last oplegt, mede door onomkeerbare investeringen en ziekte van een vennoot.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het eigendomsrecht zoals neergelegd in het Eerste Protocol en dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last vormt. De investeringen van appellante in een nieuwe ligboxenstal waren gedaan vóór de peildatum en zonder bedrijfseconomische noodzaak, terwijl het voor melkveehouders duidelijk had moeten zijn dat groei beperkt zou worden door de afschaffing van het melkquotum.
De ziekte van de vennoot in de periode voorafgaand aan de peildatum leidde niet tot een ander oordeel, omdat de benodigde stalcapaciteit pas na de peildatum gereed was. Het College concludeerde dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen dan de belangen van appellante en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.