ECLI:NL:CBB:2021:628
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en individuele buitensporige last bij uitbreiding melkveehouderij
Appellante, een melkveehouderij in de vorm van een maatschap, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin het fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van het aantal dieren op de peildatum 2 juli 2015. Appellante betoogde dat de vaststelling een individuele en buitensporige last opleverde, mede vanwege investeringen in nieuwe stallen en uitbreiding van de veestapel, die noodzakelijk zouden zijn geweest vanwege verouderde gebouwen, dierwelzijnseisen en gezondheidsproblemen binnen de maatschap.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en dat de investeringen van appellante niet navolgbaar waren gezien het tijdstip en de omstandigheden, waaronder de afschaffing van het melkquotum en de waarschuwingen over productiebeperkende maatregelen. De gezondheidsproblemen en het verlies van inkomsten uit een ijsboerderij werden niet aannemelijk gemaakt.
Verder stelde het College dat ondernemersbeslissingen inherent risico’s met zich meebrengen en dat appellante de gevolgen van haar investeringsbeslissingen zelf moet dragen. De uitbreiding was niet noodzakelijk vanuit bedrijfseconomisch oogpunt en de belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan die van appellante. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.