Appellante exploiteert een veehouderij en betwist de vaststelling van haar fosfaatrecht door verweerder op grond van de Meststoffenwet. Zij stelt dat twee stierkalveren ten onrechte niet als melkvee zijn aangemerkt en dat 35 koeien onterecht als zoogkoeien zijn geclassificeerd. Tevens voert zij aan dat het beroep op de knelgevallenregeling ten onrechte is afgewezen vanwege een verkeerde alternatieve peildatum.
Het College oordeelt dat appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de twee stierkalveren bestemd waren voor de melkveehouderij en daarom fosfaatrechten behoorden te krijgen. De 35 koeien zijn echter terecht als zoogkoeien aangemerkt, omdat zij niet voor melkproductie of fokkerij werden gehouden. Het beroep op de knelgevallenregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het causaal verband tussen de ziekte van vader en het lagere fosfaatrecht.
Verder wordt vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsprocedure de redelijke termijn van twee jaar met achttien maanden heeft overschreden. Het College kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van €1.500,-, waarvan €500,- wordt betaald door verweerder en €1.000,- door de Staat. Het vervangingsbesluit wordt vernietigd, het herzieningsbesluit herroepen en het fosfaatrecht vastgesteld op 1.256 kg. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.