ECLI:NL:CBB:2021:691
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing van landbouwpercelen voor rechtstreekse betalingen GLB 2018
Appellante verzocht om uitbetaling van basisbetaling, vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers voor 2018 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Verweerder nam een aantal percelen niet mee in de uitbetaling omdat deze niet op 15 mei 2018 aan appellante ter beschikking zouden hebben gestaan.
Het geschil betrof de vraag of appellante op die datum over een geldige gebruikstitel beschikte om de percelen met zekere autonomie voor landbouwactiviteiten te gebruiken. Het College oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij over een geldige gebruikstitel beschikte voor de betreffende percelen, ondanks haar gebruik en betalingen. Diverse overeenkomsten en verklaringen werden onvoldoende geacht om het beheer en de bevoegdheid te staven.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd een vergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €374 voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Beroep ongegrond verklaard; schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.