ECLI:NL:CBB:2021:710
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens niet voldoen aan knelgevallenregeling fosfaatrechtenstelsel
Appellante exploiteert een melkveebedrijf en voerde beroep aan tegen het door de minister vastgestelde fosfaatrecht, stellende dat zij vanwege dierziekte en bouwwerkzaamheden niet aan de 5%-drempel van de knelgevallenregeling voldeed. Zij stelde dat haar gefaseerde groei uit eigen aanwas en investeringen in een nieuwe stal een individuele en buitensporige last vormden, en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht schond.
Het College oordeelde dat verweerder de knelgevallenregeling correct had toegepast. De vergelijking van de alternatieve peildatum met de peildatum van 2 juli 2015 toonde zelfs een groei van de veestapel, zodat appellante niet aan de drempel voldeed. Het College verwierp het beroep op een fictieve peildatum na 2015 en bevestigde dat het stelsel niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
Verder stelde het College vast dat de investeringsbeslissingen van appellante niet navolgbaar waren gelet op het tijdstip en de omstandigheden, waaronder de afschaffing van het melkquotum en de te verwachten productiebeperkende maatregelen. De financiële gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel voor appellante zijn onvoldoende om te spreken van een individuele en buitensporige last. Het belang van milieubescherming en naleving van de Nitraatrichtlijn weegt zwaarder dan de belangen van appellante.
Tot slot concludeerde het College dat er geen motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek was in het bestreden besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat zij niet voldoet aan de knelgevallenregeling en geen individuele en buitensporige last heeft aangetoond.