ECLI:NL:CBB:2021:731
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens niet voldoen aan knelgevallenregeling en ontbreken individuele buitensporige last fosfaatrechten
Appellante exploiteert een melkveehouderij en voerde beroep aan tegen het vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Zij stelde dat de ziekte van de dochter van haar maten en de vertraagde vergunningverlening bijzondere omstandigheden vormden die recht gaven op een hogere fosfaattoekenning via de knelgevallenregeling. Tevens stelde zij dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last opleverde, waardoor haar bedrijfscontinuïteit in gevaar kwam.
Het College oordeelde dat appellante niet voldeed aan de 5%-drempel van de knelgevallenregeling, omdat het veebestand op de peildatum groter was dan op het moment van de bijzondere omstandigheden. Niet-gerealiseerde uitbreidingen werden niet meegenomen. Daarnaast werd geoordeeld dat de investeringsbeslissingen van appellante niet navolgbaar waren, mede gezien de aangekondigde productiebeperkende maatregelen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak.
Het College concludeerde dat appellante de risico's van haar investeringsbeslissingen zelf draagt en dat het fosfaatrechtenstelsel geen individuele en buitensporige last oplevert. De belangen van milieu en volksgezondheid en de naleving van de Nitraatrichtlijn wegen zwaarder dan de belangen van appellante. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het niet voldoen aan de knelgevallenregeling en het ontbreken van een individuele en buitensporige last.