ECLI:NL:CBB:2021:744
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrechten en individuele last
Appellante, exploitant van een melkveehouderij, stelde dat haar werkelijke melkproductie in 2015 hoger was dan vastgesteld, omdat een deel van de geproduceerde melk niet was afgeleverd. Tevens voerde zij aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en een individuele en buitensporige last oplegt. Verweerder stelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor een hogere melkproductie en dat het stelsel op regelingsniveau niet strijdig is met het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het College oordeelde dat appellante haar stellingen onvoldoende had onderbouwd met objectief bewijs en dat de gehanteerde melkproductie in 2015 juist was vastgesteld. Het beroep tegen het stelsel op regelingsniveau faalde eveneens. Voorts werd geoordeeld dat de investeringsbeslissingen van appellante ondernemersrisico's zijn die zij zelf moet dragen, en dat geen sprake was van een individuele en buitensporige last.
Het College verwees naar eerdere uitspraken waarin het stelsel als verenigbaar met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol werd beoordeeld. De uitbreiding van appellante was in 2015 concreet aangevangen, terwijl het al redelijkerwijs duidelijk was dat maatregelen in verband met de afschaffing van het melkquotum te verwachten waren. De belangen van milieu en volksgezondheid wogen zwaarder dan de belangen van appellante. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit tot vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.