Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2021 in de zaak tussen
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Standpunt verweerder
Conclusie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante exploiteert sinds 2001 een raamprostitutiebedrijf en was op de peildatum 15 maart 2020 ingeschreven met SBI-codes die niet in de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 waren opgenomen. Verweerder weigerde daarom de tegemoetkoming van €4.000,- toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Appellante voerde aan dat verweerder ten onrechte geen rekening hield met de feitelijke bedrijfsactiviteiten en bijzondere omstandigheden, mede gebaseerd op een brief van een directeur van het directoraat-generaal Bedrijfsleven & Innovatie. Verweerder stelde dat de inschrijving in het Handelsregister leidend is en dat toetsing aan feitelijke activiteiten niet strookt met de regeling.
Het College oordeelde dat de Beleidsregel buitenwettelijk begunstigend beleid betreft, waarbij alleen de consistente toepassing van het beleid getoetst kan worden. Verweerder heeft zijn beleid consistent toegepast door uit te gaan van de registratie op de peildatum en niet van latere wijzigingen. Ook de bedrijfsomschrijving bood geen aanknopingspunten voor een passende SBI-code. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de tegemoetkoming wegens niet-aansluitende SBI-code is ongegrond verklaard.