ECLI:NL:CBB:2021:816
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrecht wegens ontbreken feitelijke beschikkingsmacht over landbouwgrond
Appellant, een melkveehouder, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw waarbij zijn fosfaatrecht werd vastgesteld. Hij stelde dat 4,25 hectare landbouwgrond ten onrechte niet was meegenomen in de berekening van zijn fosfaatruimte. Tevens voerde hij aan dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last voor hem vormt.
Het College oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij feitelijke beschikkingsmacht had over de 4,25 hectare grond, aangezien de verkoper deze grond feitelijk in gebruik hield en appellant slechts het recht had om mest uit te rijden. Hierdoor kon appellant het teelt- en bemestingsplan niet afstemmen en was de grond niet toe te rekenen aan zijn bedrijf voor de fosfaatruimte.
Verder verwierp het College het beroep op het vertrouwensbeginsel en stelde vast dat appellant geen individuele buitensporige last had, mede omdat hij op de peildatum niet beschikte over de benodigde vergunningen en zijn investeringen vooruitliepen op het verkrijgen daarvan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.