ECLI:NL:CBB:2021:82
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht en fosfaattoestand grond afgewezen
Appellant, een melkveehouder, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht van zijn bedrijf werd vastgesteld. Het geschil betrof de fosfaattoestand van de grond waarop appellant beweerde dat een deel van zijn grasland ten onrechte was aangemerkt als categorie hoog in plaats van neutraal, waardoor zijn fosfaatruimte te laag was vastgesteld en hij onterecht als niet grondgebonden werd beschouwd.
Het College stelde vast dat appellant vanaf 2016 meerdere malen de gelegenheid had gekregen om de gegevens te controleren, maar pas in beroep bezwaar maakte tegen de classificatie van de fosfaattoestand. De door appellant overgelegde 18 analyseverslagen voldeden niet aan de wettelijke eisen, omdat zij onder meer ontbraken aan exacte locatiegegevens, aantal bodemmonsters en dieptes. Ook een door appellant zelf ingevuld bedrijfsoverzicht werd niet als onafhankelijk bewijs geaccepteerd.
Verweerder had de fosfaatruimte correct vastgesteld op basis van de bekende gegevens en het mestbeleid. Het College concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de fosfaattoestand anders was dan vastgesteld en dat het bedrijf niet grondgebonden was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de vaststelling van het fosfaatrecht en de fosfaattoestand wordt ongegrond verklaard.