Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 31 augustus 2021 uitspraak gedaan in de zaak tussen [naam 1] B.V. en de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Het geschil betreft een last onder dwangsom opgelegd wegens vermeende overtreding van artikel 2.2 van de Wet wegvervoer goederen (Wwg) inzake cabotagevervoer.
Verweerder stelde dat appellante ten minste 123 keer cabotagevervoer heeft laten uitvoeren door een Poolse vervoerder in strijd met de regels, en dat appellante als medepleger kan worden aangemerkt. Appellante betwistte dit, onder meer omdat zij zelf een Nederlandse onderneming is en niet zelf cabotagevervoer verricht, en omdat verweerder onvoldoende bewijs had geleverd.
Het College oordeelde dat het door verweerder overgelegde exceloverzicht onvoldoende inzicht geeft in de overtredingen, mede omdat niet is uitgesloten dat de betreffende vrachtwagens ook ritten voor andere opdrachtgevers uitvoerden. Verweerder heeft zijn bewijslast onvoldoende onderbouwd en ook de stelling dat appellante als medepleger kan worden aangemerkt is niet voldoende gemotiveerd.
Daarom vernietigt het College het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Tevens veroordeelt het College verweerder in de proceskosten van appellante.