Appellant, een eenmanszaak, diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL). Verweerder wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies, berekend volgens de vaste systematiek van de regeling.
Appellant stelde dat de berekeningswijze onredelijk was omdat deze uitgaat van een gemiddelde omzet over kalenderkwartalen, terwijl de subsidie betrekking heeft op een afwijkende periode. Tevens wees appellant op het ontbreken van een hardheidsclausule en betoogde dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden. Het College overwoog dat de gekozen berekeningswijze doelbewust is vastgesteld om uitvoerbaarheid en administratieve lasten te beperken en dat de regeling geen ruimte biedt voor afwijkingen of individuele correcties.
Het College oordeelde dat het ontbreken van een hardheidsclausule niet onredelijk is gezien het doel en de omvang van de regeling. Verder concludeerde het College dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en dat appellant terecht niet in aanmerking komt voor subsidie. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.