4.4Artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964 luidde ten tijde van belang als volgt:
“7. Voor de toepassing van deze wet wordt onder een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap verstaan:
a. een vennootschap waarin de inhoudingsplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;
b. een vennootschap die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de inhoudingsplichtige;
c. een vennootschap waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de inhoudingsplichtige.”
5. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op grond van artikel 23, zevende lid, van de Wva niet in aanmerking komt voor toekenning van de startersfaciliteit. Appellante is immers een voortzetting van een onderneming die is gedreven door een met appellante verbonden vennootschap ( [naam BV 2] ) in de zin van artikel 10a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Wet op de loonbelasting 1964, waaraan al meer dan twee keer in de voorgaande vijf jaren een S&O-verklaring is afgegeven. Dit wordt als zodanig ook erkend door appellante. Appellante stelt echter dat zij op de juistheid en volledigheid van de Handleiding heeft mogen vertrouwen. Zij had er niet op beducht hoeven te zijn dat de Handleiding onvolledig zou zijn of dat bestudering van de letterlijke wettekst tot andere conclusies zou leiden. Uit de Handleiding blijkt volgens appellante niet dat ook bij een indirect belang sprake kan zijn van een verbonden vennootschap.
6. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Aan de Handleiding valt, anders dan appellante stelt, niet het gerechtvaardigde vertrouwen te ontlenen dat bij een indirect belang geen sprake kan zijn van een verbonden vennootschap. In de Handleiding worden verschillende voorbeelden gegeven van situaties van verbondenheid, waarbij de situatie van appellante, waarin sprake is van een indirect belang, niet als voorbeeld wordt genoemd. De genoemde voorbeelden dienen echter niet als uitputtend te worden beschouwd en uit de Handleiding kan derhalve niet worden afgeleid dat in de situatie van appellante geen sprake is van verbondenheid. Van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is dan ook geen sprake. Het feit dat PNO Consultants, appellantes adviseur die haar ondersteunt bij subsidieaanvragen, concludeerde dat zij voor de startersfaciliteit in aanmerking zou moeten komen doet daar niet aan af. Nu de voorbeelden in de Handleiding daarover geen uitsluitsel boden had het op de weg van appellante, als aanvrager van de S&O-verklaringen, gelegen om contact op te nemen met verweerder en hem te vragen of zij in haar situatie in aanmerking komt voor de startersfaciliteit. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt voor haar rekening en risico. Gelet hierop volgt het College appellante evenmin in haar betoog dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.
7. Het betoog van appellante dat verweerder geen materieel belang heeft bij de weigering om haar in aanmerking te laten komen voor de startersfaciliteit, treft geen doel. Zoals verweerder terecht stelt dient hij de geldende wet- en regelgeving op de juiste wijze toe te passen. Zoals hiervoor is vermeld onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis is de Wva destijds aangepast juist om in een geval als dat van appellante herhaalde toepassing van de startersregeling te voorkomen. Daarmee is het bestreden besluit dus dienstig aan het doel dat met de wettelijke regeling is beoogd.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder appellante terecht niet in aanmerking gebracht voor een hoger percentage aan S&O-afdrachtvermindering voor startende bedrijven. Het beroep is daarom ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.