ECLI:NL:CBB:2021:978
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing extra betaling jonge landbouwers wegens onvoldoende bewijs latere zeggenschap zoon
Appellante, een maatschap bestaande uit vader, moeder en zoon, vroeg extra betaling jonge landbouwers aan voor 2019 en 2020. De minister wees deze aanvragen af omdat de zoon al vóór de relevante referentiedata daadwerkelijk langdurige zeggenschap had in de maatschap, waardoor niet voldaan werd aan de eis dat de zeggenschap binnen vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag moet zijn verkregen.
Appellante stelde dat de zoon pas vanaf 22 maart 2018 daadwerkelijk langdurige zeggenschap had, omdat toen een aanvullende maatschapsakte werd gesloten waarin de zoon het recht kreeg de maatschap voort te zetten. Ook voerde appellante aan dat de zoon vanwege een voltijdopleiding tot eind 2015 niet mede belast was met de dagelijkse bedrijfsvoering, wat volgens haar een latere startdatum van zeggenschap rechtvaardigde.
Het College oordeelde dat de aanvullende overeenkomst de langdurige samenwerking niet wijzigde en dat er geen sprake was van een proefmaatschap. De zoon had al vanaf 15 mei 2012 blokkerende zeggenschap. Verder concludeerde het College dat het volgen van een dagopleiding niet automatisch uitsluit dat de zoon mede belast was met de dagelijkse bedrijfsvoering. Appellante had wisselende en onduidelijke standpunten ingenomen over de startdatum van zeggenschap en had niet overtuigend aangetoond dat de zoon pas later mede belast was met de bedrijfsvoering.
Daarom was de afwijzing van de aanvragen voor extra betaling terecht en werden de beroepen ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de aanvragen voor extra betaling jonge landbouwers worden afgewezen.