ECLI:NL:CBB:2022:145
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens overtreding hygiënevoorschriften door condensvorming in pluimveeslachterij
Appellante exploiteert een pluimveeslachterij waar op 14 maart 2018 tijdens een NVWA-controle condensvorming werd geconstateerd op diverse oppervlakken in de inpakafdeling. De minister legde daarop een boete van €2.500,- op wegens overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in samenhang met Europese hygiënevoorschriften.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep deels gegrond vanwege termijnoverschrijding en matigde de boete tot €2.375,-, maar oordeelde inhoudelijk dat de overtreding had plaatsgevonden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de condensvorming uitsluitend door schoonmaakwater was veroorzaakt en dat het voorschrift voor plafonds (hoofdstuk II, punt 1c, bijlage II Verordening 852/2004) exclusief van toepassing zou zijn, waardoor de algemene norm (hoofdstuk I, punt 2b) niet zou gelden.
Het College van Beroep verwierp deze argumenten, oordeelde dat de condensvorming zich over de gehele inpakafdeling voordeed en niet beperkt was tot plafonds, en bevestigde dat het algemene voorschrift uit hoofdstuk I terecht werd toegepast. De minister had voldoende bewijs geleverd dat de hygiënevoorschriften waren overtreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €2.375,- wordt bevestigd.