ECLI:NL:CBB:2022:151

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
31 maart 2022
Zaaknummer
21/211
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens niet-ontvankelijkheid bodemzaak door niet betalen griffierecht

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarin zij geen tegemoetkoming ontving op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS).

Na een primaire afwijzing en een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, stelde verzoekster beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven en vroeg om een voorlopige voorziening.

Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Hierdoor was er geen grond om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

De uitspraak werd gedaan op 5 april 2022 door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet betalen van het griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/211
uitspraak van de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 5 april 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , verzoekster

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat zij geen tegemoetkoming zal ontvangen op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS).
Bij besluit van 17 november 2020 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening. De beroepsprocedure is geregistreerd onder zaaknummer 21/114.
Op 7 april 2021 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 17 november 2020, een herziene beslissing op bezwaar genomen. Het bezwaar tegen het primaire besluit is daarbij ongegrond verklaard.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8:108 van Pro de Awb, kan, indien bij het College beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het College bij uitspraak van heden het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarom is er geen aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.