Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2022 in de zaak tussen
Eteck Exploitaties B.V. en haar in bijlage 1 bij het beroepschrift opgenomen dochterondernemingen,
de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster
Procesverloop
Overwegingen
De methode die ACM toepast voor het vaststellen van de WACC is volgens appellanten in strijd met de bedoeling van de wetgever. Door de wetgever is gesignaleerd dat de beoogde groei van de warmtenetten, conform het kabinetsbeleid uit de Warmtevisie (Kamerstukken II, 2014-2015, 30196, nr. 305) niet van de grond zou komen als het risico op onvoldoende rendement te groot is (Kamerstukken II, 2016-2017, 34723, nr. 3, p. 10). Met betrekking tot de nieuwe componenten in de tariefregulering (onder meer tarieven voor het beschikbaar stellen van afleversets) geeft de wetgever aan dat wordt gekozen voor een op kosten gebaseerde regulering, waarbij de maximumtarieven gebaseerd zijn op werkelijke kosten. Dit uitgangspunt staat op gespannen voet met de wijze waarop ACM de kostenvoet vreemd vermogen heeft bepaald. Voor een soort efficiëntieprikkel door uit te gaan van een BBB+ credit rating is gelet op dit uitgangspunt geen plaats. Er zijn volgens appellanten goede redenen om af te wijken van de standaard ACM-methodiek, juist omdat de warmtesector niet goed vergelijkbaar is met de gas- en elektriciteitssector en deze methodiek niet in lijn is met de bedoeling van de wetgever.
Appellanten merken op dat onderzoeksbureau Ecorys in opdracht van appellanten onderzoek heeft gedaan naar de gemiddelde daadwerkelijke kosten van vreemd vermogen. ACM schuift het onderzoek terzijde met de opmerking dat de gebruikte dataset niet toereikend zou zijn. Dat is de wereld op zijn kop. ACM had dit onderzoek zelf moeten doen. ACM weet zonder onderzoek naar de feitelijke situatie van warmteleveranciers immers niet in hoeverre de situatie van de warmteleveranciers vergelijkbaar is met die van de bedrijven die onderdeel zijn van de gekozen vergelijkingsgroep.
In wat appellanten hebben aangevoerd over de afslag voor afleversets met CW-waarde 3 ziet het College evenmin grond voor het oordeel dat ACM niet de systematiek van het Warmtebesluit heeft gevolgd. Gelet op het bepaalde in artikel 5b, eerste en derde lid, aanhef en onder a, van het Warmtebesluit heeft ACM zich terecht op het standpunt gesteld dat zij niet twee in de regelgeving onderscheiden categorieën kan samennemen.
ACM heeft niet gehandeld in strijd met artikel 2, derde lid, aanhef en onder c, van de Warmteregeling door niet de kosten van een cv-ketel met een vermogen van 1.000 kW vast te stellen. Omdat uit het onderzoek bleek dat cv-ketels met een vermogen van exact 1.000 kW nauwelijks voorkomen, was het niet opportuun om die kosten vast te stellen en heeft ACM deze kosten zo goed als praktisch mogelijk benaderd door uit te gaan van ketels met een vermogen tussen de 900 en 1100 kW. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
- draagt ACM op om met inachtneming van deze tussenuitspraak binnen zes maanden na verzending van deze tussenuitspraak het bestreden besluit, met inachtneming van deze uitspraak, te herstellen en het College over het resultaat te informeren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.