Verzoekster, een V.O.F., had bezwaar gemaakt tegen het vastgestelde fosfaatrecht door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Na diverse besluiten en herzieningen werd het fosfaatrecht uiteindelijk verhoogd, maar verzoekster stelde dat zij schade had geleden door het late en aanvankelijk foutieve besluit, omdat zij fosfaatrechten moest leasen.
Verzoekster vorderde vergoeding van de kosten van het leasen van fosfaatrechten en de overschrijvingskosten. Verweerder erkende onrechtmatige besluitvorming, maar stelde dat er geen causaal verband bestond tussen deze onrechtmatigheid en de schade, omdat verzoekster eerder fosfaatrechten had verkocht uit eigen ondernemerskeuze.
Het College oordeelde dat het causaal verband ontbrak omdat verzoekster ondanks het onrechtmatige besluit het volle genot van haar fosfaatrechten behield en zelf had gekozen rechten te verkopen in de verwachting haar bedrijf te beëindigen. De schade was het gevolg van deze ondernemerskeuze en niet van de besluitvorming.
Daarom werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het College zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzitter R.W.L. Koopmans op 18 januari 2022.