Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
Appellante heeft verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat zij dacht dat de termijn pas begon te lopen bij het afhalen van het besluit, dat zij een week afwezig was vanwege werkzaamheden en dat ziekte haar verhinderde tijdig te reageren. Ook voerde zij aan dat de staatssecretaris nooit tijdig besliste op haar aanvragen.
Het College oordeelt dat deze omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken en verklaart het verzet ongegrond. Hierdoor wordt het beroep niet inhoudelijk behandeld en is de zaak beëindigd. Het griffierecht dat appellante betaalde wordt terugbetaald.