Appellante, een maatschap, ontving in 2017 basis- en vergroeningsbetalingen onder het GLB. Na controle herrekende de minister deze betalingen en vorderde een deel terug omdat bepaalde percelen niet als landbouwareaal werden erkend. De percelen 24 en 43 werden afgekeurd omdat zij vanaf september 2017 werkzaamheden ondergingen en geen natuurlijk grasland meer waren.
Appellante stelde dat de werkzaamheden natuurbeheer betroffen en dat de percelen het gehele jaar landbouwkundig beheerd werden, waardoor zij als landbouwareaal moesten worden aangemerkt. Het College oordeelde dat hoewel de percelen niet meer als blijvend grasland konden worden aangemerkt, de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom deze niet als bouwland konden gelden. De grond was beschikbaar en geschikt voor teelt, wat in 2018 ook plaatsvond.
Het College vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en droeg de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werden de proceskosten ten laste van de minister vastgesteld en het griffierecht aan appellante vergoed.