ECLI:NL:CBB:2022:316

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
22/661
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.3.3 TVL-regelingWet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening subsidie vaste lasten COVID-19

Verzoekster, een MKB-onderneming, heeft een subsidieaanvraag op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 ingediend, die door verweerder is afgewezen wegens twijfel over de juistheid van de opgegeven omzet. Verzoekster stelde dat de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting als uitgangspunt moeten gelden en heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing, dat ongegrond werd verklaard.

Verzoekster vorderde vervolgens een voorlopige voorziening om een voorschot op de subsidie te verkrijgen, omdat zij anders haar bedrijfsvoering niet kan voortzetten. De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang, maar stelde dat de vraag of verweerder bevoegd is nader onderzoek te doen naar de omzetgegevens een principiële kwestie is die niet in deze spoedprocedure kan worden beantwoord.

De voorzieningenrechter voerde een belangenafweging uit waarbij het belang van verweerder, om de subsidie rechtmatig uit te voeren en het risico van terugvordering van een voorschot, zwaarder woog dan het belang van verzoekster. Tevens speelde mee dat de bodemprocedure spoedig zal worden behandeld. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om een voorschot op de subsidie te verkrijgen is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/661
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juni 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Bergacker en mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 afgewezen.
Bij besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 en 31 mei 2022. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens verzoekster waren ook [naam 2] en [naam 3] aanwezig.

Overwegingen

Het geschil
Verweerder heeft de subsidieaanvraag van verzoekster afgewezen (en die afwijzing in bezwaar gehandhaafd) omdat niet is gebleken dat zij heeft voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van ten minste 30% omzetverlies. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode (in dit geval Q3 2020) en de omzet in de subsidieperiode (Q2 2021) te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. Bij de aanvraag heeft verzoekster een omzet in de referentieperiode van € 437.129,- opgegeven. Deze omzet blijkt ook uit de gegevens die verweerder van de Belastingdienst heeft ontvangen. Verweerder acht het echter niet aannemelijk dat verzoekster deze omzet daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Verzoekster heeft veel stukken overgelegd, maar geen bankafschriften waaruit blijkt dat de verkoopfacturen zijn betaald. Omdat de omzet in de referentieperiode niet vast is komen te staan, kan het omzetverlies niet worden bepaald, aldus verweerder.
Verzoekster wijst erop dat uit artikel 2.3.3, vijfde lid, van de TVL volgt dat als omzet van de getroffen MKB-onderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de getroffen MKB-onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat verzoekster in de referentieperiode (Q3 2020) een omzet had van
€ 437.129,-. Verweerder dient uit te gaan van deze gegevens en heeft ten onrechte en zonder grondslag de aanvraag afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat de belastingdienst onderzoek doet naar de opgave omzetbelasting van appellante, wat reden te meer is om te twijfelen aan de juistheid daarvan.
Spoedeisend belang
4. Als tegen een besluit beroep is ingesteld bij het College, kan de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
5. In dit geval heeft verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij oplopende schulden heeft bij (onder andere) de Belastingdienst, de verhuurder van haar bedrijfspand en haar boekhouder. Zonder de subsidie op grond van de TVL lukt het verzoekster niet meer om aan haar verplichtingen te voldoen en zal zij haar deuren moeten sluiten. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om aan te nemen dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Wettelijk kader
6. Artikel 2.3.3, vijfde lid, van de TVL luidt:
Als omzet van de getroffen MKB-onderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de getroffen MKB-onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Tevens wordt als omzet beschouwd omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de getroffen MKB-onderneming.
Beoordeling
7. Tussen partijen is in geschil of verweerder, als een ondernemer aangifte omzetbelasting doet en zijn omzet dus uit die aangifte blijkt, bevoegd is nader onderzoek te doen naar de juistheid van de gegevens die uit die aangifte blijken. Dit is een principiële vraag waar het College nog niet eerder een oordeel over heeft gegeven. Deze spoedprocedure leent zich er niet voor de vraag te beantwoorden. De voorzieningenrechter onthoudt zich daarom van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en zal zijn oordeel beperken tot een belangenafweging.
8. Toewijzing van dit verzoek om voorlopige voorziening zal verstrekkende gevolgen hebben. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om, in afwachting van de uitkomst van haar beroepsprocedure, verweerder op te dragen een voorschot op de subsidie aan haar uit te keren. Als het College in de bodemprocedure tot de conclusie komt dat verzoekster geen recht heeft op deze subsidie, zal verweerder dat voorschot moeten terugvorderen. Gelet op de moeilijke financiële situatie waar verzoekster in verkeert, is het onzeker of zij in staat zal zijn het gehele bedrag dan terug te betalen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verweerder om de TVL rechtmatig uit te voeren, zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat het beroep op 31 mei 2022 door een meervoudige kamer van het College ter zitting is behandeld. Dat betekent dat er binnen enkele weken uitspraak in het beroep zal worden gedaan.
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2022.
De voorzieningenrechter is niet in de
gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen. w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op: