Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2022 op het hoger beroep van:
[naam 2] RA( [naam 2] ), te [plaats 2] , appellanten
[naam 3]( [naam 3] ), te [plaats 3] , ingediend tegen appellanten.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Twee accountants voerden een forensisch onderzoek uit naar mogelijke onregelmatigheden binnen een vereniging, gericht op tekenbevoegdheid van rekeningen en overeenkomsten en de zakelijkheid van kosten uit 2017. Een leverancier meldde een creditering die aanleiding had moeten zijn tot nader onderzoek. De accountantskamer oordeelde dat de accountants onvoldoende onderzoek hadden verricht en het wederhoor niet volledig hadden toegepast.
De accountants stelden in hoger beroep dat zij voldoende deelwaarnemingen hadden uitgevoerd en dat de creditering niet relevant was voor de onderzoeksvraag. Het College oordeelde echter dat een formele controle van parafering niet volstond om de zakelijkheid van kosten vast te stellen en dat de creditering aanleiding had moeten zijn tot nader onderzoek.
Verder stelde het College vast dat de accountants het conceptrapport niet integraal aan de klager hadden voorgelegd, terwijl zij hem wel wederhoor hadden toegezegd. Dit was in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de accountants wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderzoek en schending van het wederhoor.