Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2022 op het hoger beroep van:
[appellant] , te [plaats 1] , appellant
(gemachtigde: mr. M.Ch. Kaaks),
[betrokkene], betrokkene
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer die de klacht ongegrond verklaarde dat betrokkene in strijd met gedrags- en beroepsregels zou hebben gehandeld door fouten in de jaarrekening 2016 van [naam 13]. Betrokkene was sinds 2004 registeraccountant en werkzaam binnen de [naam 5]-Groep, waarbij zij interne controlewerkzaamheden verrichtte en vanaf 2018 lid was van het managementteam van [naam 1] B.V.
De accountantskamer stelde vast dat er geen bewijs was van persoonlijke betrokkenheid van betrokkene bij het opstellen van de jaarrekening 2016. Appellant kon deze betrokkenheid niet aantonen in hoger beroep, waardoor deze grond faalde. Tevens werd geoordeeld dat betrokkene niet tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld enkel op grond van haar functie binnen de groep zonder persoonlijke betrokkenheid bij het dossier.
Appellant stelde in hoger beroep dat betrokkene als dagelijks beleidsbepaler van een accountantskantoor verantwoordelijk zou zijn voor de kwaliteit van de jaarrekening, maar dit werd door het College als een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht beschouwd, die buiten beschouwing bleef. Het College volgde de accountantskamer en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de klacht tegen betrokkene wordt verworpen.