Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit om het verzoek tot herziening van het fosfaatrecht af te wijzen. Het fosfaatrecht was eerder vastgesteld en deels gewijzigd na bezwaar en beroep. Het primaire besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek werd gevolgd door een bestreden besluit dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaarde. Dit bestreden besluit werd ingetrokken en vervangen door een vervangingsbesluit waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard.
Tijdens de zitting is bevestigd dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die het herzieningsverzoek kunnen dragen. Appellant betoogde dat het fosfaatrechtenstelsel een oneerlijke inperking van zijn eigendomsrecht vormt en dat bijzondere omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen. Het College oordeelde dat deze gronden reeds in eerdere procedures aan de orde zijn geweest en dat het ontbreken van nieuwe feiten de afwijzing van het verzoek rechtvaardigt, tenzij sprake is van evidente onredelijkheid, wat niet is aangetoond.
Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond. Het College heeft tevens bepaald dat verweerder het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt en in de proceskosten wordt veroordeeld. De uitspraak werd gedaan door mr. R.W.L. Koopmans op 12 juli 2022.