ECLI:NL:CBB:2022:545
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing herzieningsverzoek fosfaatreductieplan periode 4
Appellante, een melkveehouderij, kreeg op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 een hoge geldsom opgelegd voor periode 4 wegens overschrijding van het referentieaantal melkvee. Na eerdere besluiten over vijf perioden en bezwaarprocedures waarbij voor perioden 1, 2, 3 en 5 de knelgevallenregeling werd toegepast, diende appellante een herzieningsverzoek in voor periode 4. Verweerder wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren en appellante geen bezwaar had gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit over periode 4.
Het College oordeelde dat de formele rechtskracht van het besluit over periode 4 niet was doorbroken door de behandeling van bezwaren tegen andere perioden. Appellante had nagelaten bezwaar te maken tegen periode 4, wat voor haar risico was. Het verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling was eerst afgewezen en appellante had dit niet aangevochten. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk maakten.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd daarom ongegrond verklaard. Het College benadrukte dat het financiële belang van appellante onvoldoende zwaarwegend was om af te wijken van het rechtszekerheidsbeginsel en doelmatig bestuur. De uitspraak werd gedaan door I.M. Ludwig, in aanwezigheid van griffier E.D.H. Nanninga, op 16 augustus 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek over periode 4 van het fosfaatreductieplan is ongegrond verklaard.