ECLI:NL:CBB:2022:546
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrechten en toepassing Meststoffenwet
Appellante, een veebedrijf exploitant met dieren van het dubbeldoelras Fleckvie, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin haar fosfaatrecht werd vastgesteld en later verlaagd. Het primaire besluit stelde het fosfaatrecht vast op 252 kg, later bijgesteld naar 204 kg na afwijzing van een melding bijzondere omstandigheden.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, dat het stelsel onvoldoende flexibiliteit biedt voor dubbeldoelrassen en dat het stelsel grote melkveehouderijen bevoordeelt ten koste van individuele boeren. Tevens stelde zij dat het niet mogelijk zou moeten zijn om dieren tussen haar Nederlandse en Duitse bedrijven uit te wisselen zonder fosfaatrechtelijke beperkingen.
Het College oordeelde dat appellante haar standpunten onvoldoende concreet en onderbouwd had gemaakt, met name ten aanzien van een individuele en buitensporige last en schending van het motiverings- en rechtszekerheidsbeginsel. Eerdere uitspraken van het College bevestigen de verenigbaarheid van het fosfaatrechtenstelsel met artikel 1 van Pro het EP. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit tot vaststelling en verlaging van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.