ECLI:NL:CBB:2022:547

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 augustus 2022
Publicatiedatum
12 augustus 2022
Zaaknummer
21/906
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na tegemoetkoming in regeling TLTO COVID-19

In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 24 mei 2022 een tussenuitspraak gedaan waarin de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit werd opgedragen de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De minister heeft vervolgens op 10 juni 2022 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin volledig aan het beroep van verzoekster is tegemoetgekomen.

Verzoekster heeft daarop alleen nog gevorderd dat de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van zowel de bezwaar- als de beroepsprocedure. Het College heeft beoordeeld dat de minister met het herziene besluit de tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming land- en tuinbouwondernemers COVID-19 heeft vastgesteld op € 61.951,34, waarmee het beroep feitelijk is ingetrokken.

Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan in dat geval worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Het College heeft de proceskosten vastgesteld op € 2.600,-, gebaseerd op vaste bedragen voor het indienen van het beroepschrift en bezwaarschrift en het verschijnen op zitting en hoorzitting. Tevens is de griffierechtvergoeding van € 360,- genoemd.

Het College heeft de minister veroordeeld tot vergoeding van deze proceskosten en de uitspraak op 16 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2.600,- aan proceskosten na volledige tegemoetkoming aan het beroep.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/906
uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht van 16 augustus 2022 in de zaak tussen

VOF [naam] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R.P. Zijp)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 24 mei 2022 heeft het College verweerder opgedragen binnen vier weken na verzending ervan de in het bestreden besluit geconstateerde gebreken te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen.
Verweerder heeft op 10 juni 2022 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Verzoekster heeft aangegeven dat verweerder met het nieuwe besluit volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen en enkel nog verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van de bezwaar- en de beroepsprocedure.
Verweerder heeft schriftelijk op dit verzoek gereageerd.

Beoordeling

1. Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
3. Het College stelt vast dat met de herziene beslissing op bezwaar verweerder de tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming land- en tuinbouwondernemers COVID-19 (TLTO) alsnog heeft vastgesteld op € 61.951,34. Verzoekster heeft meegedeeld dat hiermee volledig aan haar beroep is tegemoetgekomen, hetgeen voor de toepassing van de artikelen 8:41 en 8:75a van de Awb wordt aangemerkt als een intrekking van het beroep.
4. Het College veroordeelt verweerder tot vergoeding van de in de bezwaar- en de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.600,- (1 punt ter waarde van € 759,- voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt ter waarde van € 759,- voor het verschijnen op de zitting, 1 punt ter waarde van € 541,- voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt ter waarde van € 541,- voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, alles met een wegingsfactor 1,0).
5. Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht van € 360,- te vergoeden voor verweerder rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Beslissing

Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.600,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2022.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. D. de Vries