In zijn negende en laatste hogerberoepsgrond heeft appellant betoogd dat de opgelegde
maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving in de registers voor de duur van één
maand niet in stand kan blijven. De accountantskamer miskent namelijk volledig wat
appellant allemaal wél heeft gedaan. Appellant heeft bij deze controle juist zijn
verantwoordelijkheid genomen en is verder gegaan dan de rol als controlerend accountant van
hem vraagt. Dit in het belang van de obligatiehouders, welk belang voor hem altijd voorop
heeft gestaan. Hij heeft zijn positie als controlerend accountant juist vanwege deze belangen
ingezet om te bewerkstelligen dat er verbeteringen werden doorgevoerd.
Appellant heeft het risico op een piramideconstructie ook wel degelijk onderkend en
daarop gehandeld. Achteraf had appellant gewild dat hij nog kritischer was geweest en het
zekere voor het onzekere had genomen en de opdracht had teruggegeven. Op dat moment leek
dat hem echter niet in het belang van de obligatiehouders.
Zou appellant al op enigerlei wijze tekort zijn geschoten bij de controle van de
[naam 7] vennootschappen, dan rechtvaardigt dat niet een doorhaling van een maand en is
een lichtere maatregel op zijn plaats. Het lijkt er volgens appellant op dat de
accountantskamer tegenwoordig bij controles waar iets op valt aan te merken (vooral
in fraudezaken) standaard een maand doorhaling oplegt. Er lijkt een zekere mate van
maatregel-inflatie te hebben plaatsgevonden. Meer maatwerk en het meewegen van
alle relevante omstandigheden bij het bepalen van de maatregel zou op zijn plaats zijn, aldus
appellant.