ECLI:NL:CBB:2022:638
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen subsidieafwijzing TVL Q4 2020 voor seizoensbedrijf
Appellante, een seizoensbedrijf, diende een aanvraag in voor de TVL-subsidie over het vierde kwartaal van 2020. Verweerder kende aanvankelijk een subsidie toe, maar wijzigde dit besluit nadat werd vastgesteld dat appellante ten onrechte als starter was aangemerkt. Hierdoor werd de referentieperiode vastgesteld op het vierde kwartaal van 2019, wat leidde tot een lagere subsidie.
Appellante voerde aan dat deze systematiek seizoensbedrijven onevenredig benadeelt, omdat vaste lasten gelijk blijven terwijl omzet in het laagseizoen lager is. Zij stelde dat een alternatieve berekeningsmethode, bijvoorbeeld gebaseerd op een kwart van de jaaromzet, rechtvaardiger zou zijn. Verweerder verwees naar de wettelijke regeling die geen afwijking van de referentieperiode toestaat en benadrukte dat de regeling is ontworpen voor snelle en uniforme uitvoering.
Het College oordeelde dat het ontbreken van een hardheidsclausule en het belang van uitvoerbaarheid een afwijking niet rechtvaardigen. Ook achtte het College het omzetverlies van appellante niet uitzonderlijk genoeg om een uitzondering te maken. De evenementenmodule, die een alternatieve berekeningsmethode biedt, is niet op appellante van toepassing omdat haar evenementen niet publiekelijk toegankelijk zijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het subsidiebedrag en de referentieperiode wordt ongegrond verklaard.