Appellante, een onderneming, had bezwaar gemaakt tegen een besluit waarbij de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het vierde kwartaal van 2020 was vastgesteld op nul en het betaalde voorschot was teruggevorderd. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening.
Appellante voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan het fietsongeval van haar financieel adviseur, die door ernstige verwondingen en medicatie niet in staat was tijdig te handelen. Zij stelde dat het haar niet mocht worden tegengeworpen dat de adviseur het werk niet had overgedragen aan een collega. Daarnaast stelde zij dat het niet-ontvankelijk verklaren disproportioneel was gezien de financiële noodzaak van de subsidie.
Het College oordeelde dat het optreden van de adviseur aan appellante moet worden toegerekend en dat van de adviseur of zijn collega’s verwacht mocht worden dat zij tijdig een bezwaarschrift zouden indienen, zeker gezien het grote kantoor en de omvang van de werkzaamheden. De omstandigheden van het ongeval en de werkdruk rechtvaardigen geen verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De financiële gevolgen van het besluit spelen geen rol bij de ontvankelijkheidstoets.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bezwaar bleef niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.