ECLI:NL:CBB:2022:765
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid tot inschrijving bestuurders in handelsregister
Appellant verzocht om inschrijving van zichzelf en een ander als bestuurders van een vereniging in het handelsregister. Verweerster, de Kamer van Koophandel, weigerde deze inschrijving omdat niet vaststond dat appellant bevoegd was tot het doen van de opgave. Appellant voerde aan dat eerdere uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven zijn bevoegdheid bevestigden en dat de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de vereniging het civiel ontslag van appellant niet erkende.
Het College overwoog dat de uitspraken van 12 juni 2018 en 4 december 2018 kracht van gewijsde hebben en niet in strijd zijn, maar elkaar aanvullen. Verder is vastgesteld dat er geen duidelijk bestuur is en onduidelijkheid bestaat over wie lid is van de vereniging. De ALV van 29 september 2018 kan niet als rechtsgeldig worden beschouwd omdat niet vaststaat wie stemgerechtigd zijn. Hierdoor kan appellant niet als bestuurder worden aangemerkt.
Het College concludeert dat verweerster terecht heeft geweigerd de inschrijving te verrichten op grond van artikel 5, eerste lid, van het Handelsregisterbesluit. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet bevoegd was tot inschrijving als bestuurder.