Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder waarbij de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het vierde kwartaal van 2020 werd vastgesteld op € 8.192,62. Zij betwistte dat de opbrengst van de verkoop van een bus en huurinkomsten tot de omzet mochten worden gerekend, omdat dit geen reguliere omzet zou betreffen. Tevens voerde zij een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, stellende dat haar boekhouder telefonisch van RVO had vernomen dat desinvesteringen buiten de omzet zouden blijven.
Verweerder stelde dat hij terecht is uitgegaan van de omzetgegevens zoals aangegeven in de aangifte omzetbelasting, conform artikel 2.1.2 van de TVL-regeling. Er was geen bewijs van toezeggingen die het beroep op het vertrouwensbeginsel konden ondersteunen. Het College oordeelde dat het gebruik van de omzetbelastingaangifte een redelijk uitgangspunt is en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt vanwege onvoldoende onderbouwing.
Het College concludeerde dat verweerder terecht de omzetgegevens van de Belastingdienst heeft gebruikt en dat de opbrengst van de verkoop van de bus en huurinkomsten tot de omzet behoren. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.