Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante, en
(gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante, een transportbedrijf dat dierlijke mest vervoert, en appellant, haar directeur, kregen bestuurlijke boetes opgelegd wegens het onjuist, onvolledig en niet naar waarheid opmaken van vervoersbewijzen dierlijke mest (VDM’s) over 2013. De minister legde boetes op voor meerdere overtredingen per VDM, wat door appellanten werd betwist. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en matigde enkele boetes.
In hoger beroep stelde het College vast dat per VDM slechts één boete mag worden opgelegd. Het vernietigde de delen van de uitspraak waar meerdere boetes per VDM waren gehandhaafd en matigde de boetes met 10% vanwege overschrijding van de beslistermijn volgens het ministerieel beleid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezegging was gedaan dat geen boetes zouden volgen.
Het College oordeelde dat appellant als feitelijk leidinggevende aansprakelijk is omdat hij naliet maatregelen te treffen om overtredingen te voorkomen. De boetes werden vastgesteld op €7.525,80 per appellant. Daarnaast werd de minister veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak vervangt de eerdere besluiten en bevestigt het overige van de rechtbankuitspraak.
Uitkomst: Boetes voor onjuist opgemaakte vervoersbewijzen dierlijke mest worden gematigd tot €7.525,80 per appellant en eerdere meervoudige boetes per VDM worden vernietigd.