Appellant exploiteert een melkveehouderij en betwist de vaststelling van zijn fosfaatrecht door verweerder, waarbij hij een beroep doet op de knelgevallenregeling wegens bouwwerkzaamheden en ziekte van een familielid. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Het College oordeelt dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat de bouwwerkzaamheden en ziekte een causaal verband met een lager fosfaatrecht opleveren en dat het fosfaatrechtenstelsel geen individuele en buitensporige last voor appellant vormt.
Het College benadrukt dat investeringsbeslissingen van melkveehouders ondernemersrisico's bevatten en dat de afschaffing van het melkquotum en de daaraan verbonden maatregelen bekend waren bij appellant. De financiële rapportage toont weliswaar een substantieel nadeel, maar dit is onvoldoende om een buitensporige last aan te nemen. Ook is geen ontheffing op grond van het evenredigheidsbeginsel gerechtvaardigd.
Daarnaast heeft het College vastgesteld dat de behandeling van bezwaar en beroep de redelijke termijn heeft overschreden, waardoor appellant recht heeft op een schadevergoeding van € 2.500,-, waarvan € 2.100,- voor rekening van verweerder en € 400,- voor rekening van de Staat komt. Tevens worden proceskosten toegewezen die gelijkelijk door verweerder en de Staat worden gedragen.