Appellant, een registeraccountant werkzaam in een eenmanspraktijk, werd door de NBA getuchtelijk vervolgd wegens tekortkomingen in het interne kwaliteitsstelsel van zijn accountantspraktijk en in enkele gecontroleerde dossiers. De toetsers constateerden meerdere tekortkomingen op kantoor- en stelselniveau en dossierniveau, waaronder het ontbreken van een onafhankelijkheidsfunctionaris, onvoldoende toetsbare criteria voor kwaliteitsbeoordeling, en gebrekkige dossiervorming.
De accountantskamer verklaarde de klacht gegrond en legde appellant een doorhaling van zijn inschrijving in het register op voor achttien maanden. Appellant ging in hoger beroep tegen de gegrondverklaring van de klacht en de opgelegde maatregel. Het College van Beroep heeft de verschillende hogerberoepsgronden inhoudelijk beoordeeld en vrijwel alle klachten bevestigd, behalve het oordeel dat voor entiteit 02 zonder meer een nieuwe opdrachtbevestiging noodzakelijk was.
Het College oordeelt dat uit de NV COS 210 niet volgt dat iedere wijziging in regelgeving automatisch een nieuwe opdrachtbevestiging vereist, en dat de NBA onvoldoende heeft gespecificeerd waarom dit in het concrete geval wel zo zou zijn. Het College vernietigt daarom dit onderdeel van de uitspraak van de accountantskamer. Voor het overige blijft de tuchtuitspraak in stand, inclusief de maatregel van doorhaling, die het College passend en geboden acht gezien de ernst en herhaling van de tekortkomingen.
Appellant verzocht tevens om uitstel van de ingangsdatum van de maatregel, maar het College wees dit af vanwege het belang van een effectieve tuchtrechtspraak. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is openbaar uitgesproken op 1 maart 2022.