ECLI:NL:CBB:2023:114

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
6 maart 2023
Zaaknummer
22/1674
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbWet personenvervoer 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens griffierechtbetaling

De onderneming heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De rechtbank stuurde het beroepschrift door aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

De onderneming maakte vervolgens verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Uit het verzet bleek dat de onderneming niet in verzuim was geweest met de betaling van het griffierecht. Hierdoor werd het verzet gegrond verklaard en verviel de eerdere uitspraak van 13 december 2022.

Het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het verzet, omdat verwarring was ontstaan door een onjuiste vermelding van de minister over de mogelijkheid tot beroep bij de rechtbank Midden-Nederland.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 7 maart 2023.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €418,50.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/1674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2023 op het verzet van

[de ondereming] B.V., te [plaats] (de onderneming)

(gemachtigde: mr. R.P. Kuijper)

Procesverloop

De onderneming heeft bij de rechtbank Midden-Nederland beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 februari 2022. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden aan het College.
Bij uitspraak van 13 december 2022 heeft het College het beroep met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting,
niet-ontvankelijk verklaard.
De onderneming heeft tegen de uitspraak van het College van 13 december 2022 verzet gedaan.

Overwegingen

1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat binnen de daarvoor gestelde termijn het griffierecht niet is betaald.
2. In verzet is gebleken dat de onderneming niet in verzuim is geweest. Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.
3. Omdat het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak van
13 december 2022 en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
4. De minister moet de proceskosten van het verzet van de onderneming vergoeden (0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift, waarde per punt
€ 837,-, wegingsfactor 1). Het College bepaalt dit, omdat de verwarring rond de betaling van het griffierecht is ontstaan doordat de minister onder het besluit van
28 februari 2022 ten onrechte heeft vermeld dat daartegen beroep kon worden ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van het verzet van de onderneming tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
mr. S. van Noordt, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 7 maart 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt