ECLI:NL:CBB:2023:120

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
6 maart 2023
Zaaknummer
22/103
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.1 SVL
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten startende MKB-onderneming COVID-19 wegens inschrijving buiten doelgroepperiode

Appellante, een horecabedrijf, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 (SVL) voor het eerste kwartaal van 2021. De onderneming was op 19 juni 2019 ingeschreven in het handelsregister, maar startte haar activiteiten pas op 17 februari 2020 vanwege verbouwing en vergunningaanvragen.

Verweerder wees de subsidieaanvraag af omdat de inschrijving van de onderneming buiten de wettelijk vereiste periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2020 viel, zoals bepaald in artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de SVL. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna beroep werd ingesteld.

Het College oordeelde dat de afbakening van de doelgroep in de SVL terecht is en dat de situatie van appellante niet vergelijkbaar is met eerdere uitspraken waarin afwijking mogelijk was wegens juridische belemmeringen om omzet te genereren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de onderneming buiten de doelgroepperiode is ingeschreven.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/103

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2023 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante,

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigden: mr. M. van den Brink en C. Zieleman).

Procesverloop

Met het besluit van 22 juli 2021 heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKBondernemingen COVID-19 (SVL) afgewezen.
Met het besluit van 3 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2023. Daaraan hebben [naam 2] , directeur van appellante, en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

1. Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de SVL voor het eerste kwartaal van 2021. Appellante exploiteert een horecabedrijf. De onderneming is op 19 juni 2019 ingeschreven in het handelsregister. Vanwege een grote verbouwing en de aanvraag van de benodigde omgevingsvergunning en drank- en horecavergunning is appellante pas op 17 februari 2020 met haar bedrijfsactiviteiten gestart.
2. Verweerder heeft de aanvraag voor een subsidie op grond van de SVL afgewezen, omdat appellante niet voldoet aan de bij de SVL gestelde eisen. Om in aanmerking te komen voor de SVL, moet de inschrijfdatum van de onderneming in het handelsregister namelijk liggen in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2020. Deze voorwaarde volgt uit artikel 2.1.1., tweede lid, aanhef en onder c, van de SVL. Nu de onderneming van appellante op 19 juni 2019 is ingeschreven in het handelsregister, valt zij buiten de doelgroep van de SVL. Verweerder heeft de aanvraag daarom afgewezen.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming van appellante op 19 juni 2019 is ingeschreven in het handelsregister. Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 11 oktober 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:700), dient de aangewezen periode in de SVL van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2020 om de doelgroep van de SVL af te bakenen. Daarmee is deze situatie anders dan de situatie die voorlag in de uitspraak van 31 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:845), waarbij de vraag centraal stond wat als referentieperiode beschouwd moet worden en waarbij het College geoordeeld heeft dat daarvan afgeweken kon worden als er juridische belemmeringen in de weg stonden om te beginnen met het genereren van omzet. Het College is van oordeel dat het verschil tussen deze situaties des te zwaarder weegt omdat de periode in de SVL de werkingssfeer van de SVL afbakent van de TVL, die zijn eigen startersregeling kent.
4. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder de subsidieaanvraag op grond van de SVL terecht heeft afgewezen. Dat de afbakening van de doelgroep, zoals neergelegd in artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de SVL, voor appellante tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van de SVL, maakt niet dat er sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
5. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van E.E.M. Koomen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2023.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.