Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2023 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats 1] , ( [naam 1] ),
[naam 2] AA RV( [naam 2] )
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De zaak betreft een hoger beroep tegen de uitspraak van de accountantskamer waarin een klacht van de ex-echtgenoot tegen de accountant, die optrad als partijadviseur tijdens een mediationtraject rondom een echtscheiding, ongegrond werd verklaard.
De accountant stelde op verzoek van de mediator een vermogensopstelling op, met waardering van aandelen in een BV en een maatschapsaandeel in een VOF. De ex-echtgenoot betoogde dat de waardering onvoldoende was onderbouwd en dat de accountant onzorgvuldig en niet objectief had gehandeld.
Het College overwoog dat het niet gaat om een inhoudelijke herbeoordeling van de waardering, maar om de vraag of de accountant zich heeft gehouden aan de fundamentele beroepsregels. De accountant had een verdedigbare berekening gemaakt op basis van beschikbare gegevens, waaronder een bod van een derde partij en jaarrekeningen.
Verder was de accountant niet verplicht om de opdrachtbevestiging te delen of vragen te beantwoorden buiten het mediationtraject, waarbij hij slechts als partijadviseur van één partij optrad. Het College concludeerde dat er geen sprake was van onjuiste of misleidende informatie en dat de fundamentele beginselen van objectiviteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet waren geschonden.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de uitspraak van de accountantskamer is ongegrond verklaard.