ECLI:NL:CBB:2023:143
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag TVL vierde kwartaal 2021 wegens onjuiste referentieperiode
De zaak betreft het beroep van een onderneming tegen de afwijzing van haar aanvraag voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021. De minister wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van minimaal 20% omzetderving ten opzichte van de gekozen referentieperiode, het vierde kwartaal van 2019.
De onderneming stelde dat zij onterecht niet kon kiezen voor het derde kwartaal van 2020 als referentieperiode, omdat haar drank- en horecavergunning pas eind 2019 werd verleend en het restaurant begin 2020 openging. De minister hield echter vast aan de in de TVL vastgelegde referentieperiodes, waarbij voor het vierde kwartaal 2021 alleen het vierde kwartaal van 2019 of het eerste kwartaal van 2020 als referentieperiode mogelijk zijn.
Het College oordeelde dat de minister de eerdere coulance bij het eerste kwartaal van 2021 niet hoefde voort te zetten en dat de uitzonderingen in de regeling niet van toepassing waren. Ook vond het College dat het feit dat het restaurant pas na inschrijving in het handelsregister openging geen reden was voor een afwijking van de referentieperiode.
Daarom was de afwijzing van de subsidieaanvraag terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag TVL vierde kwartaal 2021 wordt ongegrond verklaard.