ECLI:NL:CBB:2023:272

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 juni 2023
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
22/4
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:8 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding

Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 juli 2021, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring in een eerdere uitspraak van 23 augustus 2022.

Betrokkene deed vervolgens verzet tegen deze uitspraak en voerde aan dat de beroepstermijn pas op de datum van ontvangst van het besluit was aangevangen, waardoor zijn bezwaar tijdig zou zijn ingediend. Tevens stelde hij dat een medische complicatie bij zijn raadsman hem verhinderde tijdig te worden geadviseerd.

Het College verwierp deze argumenten. Het oordeelde dat de beroepstermijn volgens artikel 6:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht aanvangt op de datum van bekendmaking van het besluit en dat het bezwaarschrift bovendien gedateerd was na afloop van de termijn. De medische complicatie van de raadsman was onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift blijft gehandhaafd.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/4

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 op het verzet van

[naam] , te [plaats] (betrokkene)

Procesverloop

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 november 2021.
Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft tegen de uitspraak van 23 augustus 2022 verzet gedaan.

Overwegingen

1. Met het besluit van 30 november 2021 heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het eerdere besluit van de minister van 16 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet heeft betrokkene herhaald dat de beroepstermijn niet is aangevangen op 16 juli 2021 (de datum van bekendmaking van het eerdere besluit) maar pas op 19 juli 2021 (de datum van ontvangst), en daarmee is geëindigd op 30 augustus 2021 en niet al op 27 augustus 2021.
2.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is terecht overwogen dat dit betoog gelet op artikel 6:8 van Pro de Awb niet opgaat. Daar komt bij dat het bezwaarschrift is gedateerd 31 augustus 2021.
3. Betrokkene heeft verder herhaald dat zijn raadsman door een medische complicatie niet in staat was hem tijdig te adviseren en dat hij daarom na verloop van tijd zelf maar een bezwaarschrift heeft ingediend.
3.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is eveneens terecht overwogen dat dit gegeven niet wegneemt dat onder het besluit van 16 juli 2021 duidelijk is vermeld dat de bezwaartermijn zes weken is. Niet valt in te zien waarom betrokkene op
31 augustus 2021 wel een bezwaarschrift kon indienen en niet al op 27 augustus 2021.
4. Het verzet is ongegrond.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer