Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2023 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [plaats] (het slachthuis)
(gemachtigde: F.Th.M. Peters),
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
volgende overwogen:
van de toezichthouder, zoals weergegeven in het rapport van 10 februari 2017. Dit betekent dat verweerder deze bevindingen aan de vaststelling van de overtredingen ten
grondslag heeft kunnen leggen. Dat er volgens eiseres geen voorschrift is waaruit volgt
dat er gebruik moet worden gemaakt van plastic zakjes om de oren, doet er niet aan af
dat karkassen die nog niet waren gekeurd (deels) tegen karkassen hingen die reeds
waren gekeurd en dat vrijwel alle geiten voor de postmortemkeuring bezoedeld waren
met faeces of haar. Eiseres heeft deze feiten niet betwist.
4.3. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres in strijd heeft
gehandeld met de bepalingen uit bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 7, punt 10 en
punt 13 onder b, van Verordening (EG) nr. 853/2004. Daarom was verweerder bevoegd
om eiseres voor deze overtredingen een boete op te leggen.”
5.2 De minister heeft de boetes gebaseerd op twee (afzonderlijke) rapporten van bevindingen van 6 oktober 2017. In deze rapporten van bevindingen staat, voor zover van belang, dat de toezichthouder op respectievelijk 28 september 2017 en 29 september 2017 in het slachthuis heeft geconstateerd dat vele runderkarkassen vóór de PM-keuring waren verontreinigd met haren en fecaliën en dat door het afzetten/afknippen van de onderpoten en het onthuiden/afhuiden van de runderen verontreiniging van het vlees niet werd voorkomen.
volgende overwogen:
.
Beslissing
BIJLAGE
(…)
(…)
1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.
b) tijdens het verwijderen van huiden en vachten:
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;