ECLI:NL:CBB:2023:31

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
16 januari 2023
Zaaknummer
22/225
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Verordening (EG) nr. 882/2004
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep veehouder tegen kosten hercontrole Wet Dieren ongegrond verklaard

Op 24 juni 2020 voerden toezichthouders van de NVWA een hercontrole uit op het bedrijf van appellant. De minister van Landbouw bracht hiervoor op 2 oktober 2020 een bedrag van €355,08 in rekening. Appellant maakte bezwaar tegen deze kosten, stellende dat de controle niet gericht was op naleving van een last onder bestuursdwang, maar op zijn bijzondere positie als melkproducent met koperserkenning.

De minister verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tijdens de zitting op 19 oktober 2022 werd het beroep behandeld samen met andere vergelijkbare zaken. Het College overwoog dat op grond van artikel 28 van Pro Verordening 882/2004 de minister verplicht is kosten van hercontroles in rekening te brengen bij de verantwoordelijke partij.

Het College concludeerde dat de hercontrole een aanvullende officiële controle betrof, gericht op naleving van een eerder opgelegde last onder bestuursdwang. Er waren geen aanwijzingen dat de controle een ander doel had. Daarom mocht de minister de kosten bij appellant in rekening brengen. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de veehouder tegen de kosten van de hercontrole wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 22/225

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 in de zaak tussen

[veehouder] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Procesverloop

Op 24 juni 2020 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een (her)controle uitgevoerd op het bedrijf van appellant. Voor die controle heeft verweerder bij besluit van 2 oktober 2020 bij appellant een bedrag van € 355,08 in rekening gebracht.
Bij besluit van 7 december 2021 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het gefactureerde bedrag ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2022.
De zaak is behandeld samen met de zaken nummers 20/566 t/m 20/571, 20/617, 20/763, 20/860, 21/166 t/m 21/169, 21/1146 en 22/1788.
Appellant is verschenen. Voor appellant zijn ook verschenen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn voor verweerder verschenen mr. J.W.J. Reuvers en mr. A.H. Spriensma. Ook is verschenen mr. M.A. Sijbrandij van het COKZ.

Overwegingen

1. Aan het besluit van 2 oktober 2020 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er op 24 juni 2020 een herinspectie heeft plaatsgevonden met het doel om te controleren of appellant heeft voldaan aan een eerdere in 2020 opgelegde last onder bestuursdwang. De daarmee gemoeide kosten bedragen, aldus verweerder, € 355,08.
2. Appellant heeft betwist dat hem deze kosten in rekening kunnen worden gebracht.
Hij heeft in dat verband aangevoerd dat de rapporten van bevindingen vaak niet met de werkelijkheid overeenkomen en dat de controle niet heeft plaatsgevonden met als doel om te controleren of aan de door verweerder bedoelde last onder dwangsom uit 2018 werd voldaan, maar te maken had met zijn bijzondere positie, omdat hij melk produceert en tegelijkertijd beschikt over een koperserkenning om melk te kunnen verhandelen. Het handelen van de NVWA is volgens appellant ingegeven door de wens om hem zijn kopersnummer af te nemen.
3. Het College overweegt het volgende. Op grond van artikel 28 van Pro Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoerders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (Verordening 882/2004) is verweerder verplicht om de kosten van hercontroles, die plaatsvinden nadat vastgesteld is dat voorschriften inzake de bescherming van de diergezondheid en het dierenwelzijn niet zijn nageleefd, in rekening te brengen bij degene die voor de niet-naleving van die voorschriften verantwoordelijk is. Met een hercontrole wordt in dit verband bedoeld: een aanvullende officiële controle, die plaatsvindt na de vaststelling van een niet-naleving en die verder gaat dan de gewone controleactiviteiten van de bevoegde autoriteit.
4. Verweerder heeft verklaard dat met het besluit van 2 oktober 2020 slechts de kosten van een aanvullende officiële controle in de zin van artikel 28 van Pro de Verordening 882/2004 in rekening zijn gebracht. Appellant heeft dit niet betwist. Nu in het rapport van bevindingen van 29 juni 2020 wordt verwezen naar een eerdere, in 2020 opgelegde last onder bestuursdwang, gaat het College ervan uit dat inderdaad sprake was van een aanvullende officiële controle in de hier bedoelde zin. Er bestaan onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de hercontrole met een ander doel is verricht. Dit betekent dat verweerder de kosten van de hercontrole bij appellant in rekening mocht brengen.
5. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.
6. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2023.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.M.M. Bancken